Door Ad van den Oord
De ‘Canadese muurschildering’ op de KVL, die helaas recentelijk door een onderaannemer is overgeschilderd en onherstelbaar beschadigd, is hoogstwaarschijnlijk vervaardigd door de Oisterwijkse kunstschilder Toon Merkelbach (1916-2005).
(foto: Noud Smits)
Uit archiefstukken blijkt dat de KVL en het westelijk daarvan gelegen Wehrmachtsverpflegungsamt (WVA) na de bevrijding lange tijd geallieerde doeleinden hebben gediend. Er werden slaapzalen ingericht, badgelegenheden en recreatiezalen. De gemeente Oisterwijk moest de verbouwingskosten voorschieten, maar kon deze later terugvorderen bij de Nederlandse regering. In de eerste weken na de bevrijding, vanaf 27 oktober 1944, bivakkeerden fronttroepen (1st Gordon Highlanders) in de gebouwen van het WVA. Vervolgens werden die gebouwen bezet door het Base Supply Depot en Field Bakeries (29 november 1944-7 maart 1945). Zij voorzagen de geallieerde legers van voedsel. Het Canadese Leave Camp huisde van circa november 1944 tot eind maart 1945 in een viertal gebouwen van de KVL, genummerd 1, 9, 28 en 28a. Helaas ontbreken de bijbehorende tekeningen van die gebouwen in het archief. Vanaf 1 november 1945 tot en met 16 maart 1946 was de UNRAA (United Nations Relief and Rehabilitation Administration) in enkele loodsen en fabrieken op de KVL gevestigd. Deze VN-organisatie leverde hulp aan landen die bevrijd waren van de bezetting door de As-mogendheden (vooral ondersteuning van gerepatrieerde displaced persons uit de concentratiekampen met levensmiddelen en kleding).
In het Archief van het Gemeentebestuur Oisterwijk 1922-1970 (Regionaal Archief Tilburg) bevinden zich vijf inventarisnummers over de inkwartiering van geallieerde militairen. Het zijn voornamelijk financiële stukken, de inkwartiering richtte de nodige schade aan panden aan (in Oisterwijk waren er
23 gebouwen gevorderd: scholen, fabrieken, cafés en hotels, de beide pastorieën en enkele grote particuliere woningen) en er verdween het nodige van de inventaris. De eigenaren van de panden konden die schade vergoed krijgen. In inv.nr. 1334 vond ik heel wat rekeningen van Oisterwijkse middenstanders die goederen hadden geleverd aan de geallieerden. Op de lijst prijkt onder nummer 3 de kunstschilder Toon Merkelbach die een bedrag van 24 gulden declareert. In de bijlagen vinden we een ‘demand form’ getekend op 29 januari 1945. Daarin verklaart Merkelbach t.b.v. Major A.D. Langmuir (DORE 2 Cdn Works Section RCE) geleverd te hebben: ‘volmachtigde vertegenwoordiger. Het noodige materiaal zal door het leger geleverd worden:
Voleindigen van teekeningen en versiering van muren in Transit Leave Centre ter voldoening van DCE 1ste Canadian Army of dit zijner ge’. Toon Merkelbach is dus bijna met zekerheid de maker van een vrije bewerking van Robert Högfeldt’s Der Weiberfeind. De muurschildering zal dus te dateren zijn rond eind januari 1945. Merkelbach vervaardigde in opdracht van de Canadezen meerdere muurversieringen op de KVL, die blijkbaar al in vroegere tijden verdwenen zijn. Waarom hij Der Weiberfeind daarbij koos, blijft gissen.
Uit de Bevrijdingsdocumentaire van Oisterwijk in Beeld blijkt wel dat veel ongehuwde jongemannen (Merkelbach was er daar toen ook één van) toch behoorlijk jaloers waren op de Oisterwijkse meisjes die in het Transit Leave Camp mochten dansen, terwijl de toegang voor Oisterwijkse jongens verboden bleef.
Eerdere blog over de KVL link
Posts tonen met het label Koninklijke-Lederfabriek. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Koninklijke-Lederfabriek. Alle posts tonen
donderdag 27 november 2014
dinsdag 1 november 2011
Koninklijke Lederfabriek Oisterwijk (KVL)
In 2010 en 2011 was het complex van de Koninklijke Leder nog veelvuldig in het nieuws, vanwege de renovatie van het ketelhuis en de machinekamer.
Bijna honderd jaar geleden, op 27 oktober 1916 werd de Lederfabriek Oisterwijk opgericht door Chris van der Aa (1885-1941). Strategisch werd de fabriek vlak langs de spoorlijn gebouwd en in 1918 startte de productie. Vier jaar later in 1920 werd de Lederfabriek Oisterwijk overgenomen door het concern van de familie Adler en Oppenheimer, die lederfabrieken exploiteerden in diverse Europese landen. Het bedrijf was gespecialiseerd in vervaardiging van kalfsleer, na de oorlog is het productieproces omgebouwd naar de fabricage van rundleer. In 1932 ontving de Lederfabriek het predicaat Koninklijk. Het was een florerend bedrijf met een eigen voetbalclub. In de jaren zestig kwamen er ook arbeiders uit Griekenland werken.
Hagemeyer N.V. nam het bedrijf in 1966 over, in december 1970 gevolgd door de overname van de aandelen van de Koninklijke Chroomlederfabriek De Amstel in Waalwijk. Door samenvoeging van beide bedrijven is de Koninklijke Verenigde Leder ontstaan.
In 1973 werden de bedrijfsresultaten zo slecht dat er verlies werd geleden. De vestiging Waalwijk sloot, alleen die van Oisterwijk bleef open. De productie van lakleer werd afgestoten. Deze maatregelen waren niet afdoende. Het bedrijf had grote voorraden en boekte verlies op verlies. Het aantal personeelsleden slonk van 630 werknemers in 1970 tot de grote afslanking in 1990 tot 63.
Ondanks alle inzet werden de poorten van de KVL op 1 januari 2001 gesloten en het bedrijf in 2004 failliet verklaard. Als oorzaak werd door de laatste directeur P. Aben de lage lonen landen genoemd, maar ook de dure dollar en de stijging van de prijs van de ruwe huiden. De 35 werknemers werden ontslagen.
In juli 2011 werd het Regionaal Archief Tilburg benaderd door W. van Hooft van de Belastingdienst Eindhoven. Als gevolg van de afhandeling van het faillissement, had hij een restant van het archief van de Koninklijke Leder op zijn kantoor staan. Dit deel is nu ook opgenomen in het archief opdat het verhaal van de Leder blijvend verteld kan worden.
Abonneren op:
Posts
(Atom)
